Vernissage van 28 november 2008 |
| terug naar de startpagina (klik) terug naar de inhoudstafel van deze reeks (klik) |
| Foto van beide kunstenaars, foto's van de receptie
na de toespraken Op de foto klikken voor een vergroting, terug met de pijl links boven
|
Hugo Van Vlaslaer: welkomstwoordMijnheer de Burgemeester, Dames en Heren, Totaal nieuwe tentoonstelling van een vernieuwd oud-lid en een nieuw lid, een percentage nieuwe bezoekers. Ik heet iedereen welkom en ik heet ook Hugo Van Vlaslaer, zeg ik voor de splinternieuwe aanwezigen en ik ben straks aanspreekbaar als die meer willen weten over kunstkringen de Pelicaen, over leden. Ik heb naast de cataloog van de tentoonstelling kleine papiertjes gelegd met de naam van de website van de Pelicaen. Mag u meenemen, de cataloog het liefs niet. Via de website kunt u ons beter leren kennen. Onbekend maakt onbemind. De Pelicaen vliegt weer hoog genoeg, start een mooie, merkwaardige tentoonstelling met mannelijke aquarellen en pastels en vrouwelijke fotokunst. Professor emeritus in de filosofie Wilfried Goossens zal aanstonds veel zeggen over wie de man en de vrouw is en zal verklaren waarom we paf kunnen staan over hun paf, p.a.f., pastels, aquarellen, foto’s. Filosoof Wilfried Goossens doceerde aan de Katholieke Universiteit Brussel en leerde ook schilderen aan de academie van Mechelen. Hij leefde ook een tijd, extra verdienstelijk, als erelid van de Pelicaen, toen de Pelicaen nog jong was met de heer Meulepas als voorzitter. Natuurlijk mag professor Wilfried Goossens opnieuw erelid worden of lid. Luide wenk Onze uitnodigingskaarten zijn niet onfeilbaar. Er staat: de
tentoonstelling is open zaterdag 6 december en zondag 12 december.
Bedoeld is: zondag 7 december,12 december 2008 is trouwens een vrijdag.
Sorry, zegt de Pelicaen. Professor Wilfried Gooosens... © Hugo Van Vlaslaer |
Prof. Em. Wilfried Goossens: inleidingDames en Heren, De twee kunstenaars die hier hun werk presenteren hebben alvast twee dingen gemeen. Ze wonen beiden in Duffel en hebben beiden met veel passie hun professioneel leven geruild voor datgene waar hun artistiek bloed hen toe dreef: de fotografie bij de ex-lerares Erna Morel, de schilderkunst (in brede betekenis) bij de architect Remi Geens. Dàt hebben ze zeker gemeen. Maar ze verschilen serieus in artistiek temperament, denk ik. Ik zou daarom deze twee zo contrasterende kunstenaars hier wat uitvoeriger naast elkaar willen plaatsen. In hun contrast zie je directer wie elk van beiden is en zie je preciezer waar ieder van hen mee bezig is in haar of zijn werk. Ik begin met Remi Geens. Ik zie vooreerst opvallende verschillen tussen en binnen zijn werken. Je vindt bij hem in zichzelf gesloten schilderijen, ik bedoel werken die amper verwijzen naar iets herkenbaars, en dat naast andere werken die complexloos (al is dat maar schijn) stukken herkenbare stad of natuur ‘afbeelden’. Verder: Remi Geens maakt werken in veeleer koelere kleuren en dan weer werken vol zonnige warmte en voorzichtige tinten. Merkwaardig lijkt mij daarbij dat de hardere kleuren (maar daarover kan men van mening verschillen) vaker terug te vinden zijn in zijn uitgesproken figuratief werk, dat zoals we hier overvloedig zien nochtans eerder poëtisch en verstild voorkomt . Nog een ander intern verschil: sommige werken bestaan bijna uitsluitend uit kleurvlakken en vervaagde lijnen en grillig opeengestapelde vormen, terwijl andere heel precies getekend zijn en de kleur erin zich gedwee voegt naar de tekening. Tenslotte worden sommige werken van Remi Geens precies en geduldig opgebouwd waarbij de schilder een analyserende rationele blik streng op zijn extern motief gericht houdt en daarnaast zijn er werken die een soort inwendige drift en onrust verraden. Wat me ten tweede opvalt bij Remi Geens: op zijn schilderijen staan de elementen eerder naast elkaar dan bij elkaar – zelfs als ze elkaar raken - . Dat wil niet zeggen dat ze van elkaar los staan, wel dat ze tegen elkaar worden aangedrukt tot een nauw sluitende compositie. Dat naast elkaar staan krijgt een bijzondere betekenis in zijn imaginair gecomponeerde/half figuratieve schilderijen, wanneer daarin namelijk hier en daar herkenbare vormen zichtbaar worden. Op een bepaald moment zie je bijvoorbeeld een hand deel uitmaken van wat op het eerste gezicht een chaos van kleurvlakken en lijnen is. Die hand staat daar alleen, verwijst niet naar een bijhorend verloren lichaam, ze kruipt louter uit wat haar omgeeft naar buiten. Het gaat dan echt om die hand én om wat ze lijkt te willen zeggen (niet over het mogelijke lichaam dat zou ontbreken) maar over zichzelf in haar relatie met wat er naast haar op het schilderij te zien is. Dat naast elkaar staan van de elementen van een schilderij gaat nog duidelijker werken als de herkenbare vorm een gelaat is, en dat is vaak het geval. Dat gelaat zwijgt, trekt zich bijna als een masker terug binnen het geheel van de compositie. Maar dat masker krijgt aldus de allure van een zwaar met betekenis geladen symbool. Het lokt, maar weigert zijn geheim aan woorden prijs te geven; we moeten er als toeschouwers onze eigen woorden bij vinden, diep in onszelf. En nog een derde veronderstelling, nu omtrent Remi Geens’ manier van werken. Zijn schilderijen lijken vaak te groeien tijdens het werken eraan, ze realiseren niet zozeer een vooraf aanwezig concept. Het zijn dan de toevallige lijn op het blad, de onverwachte kleurflits, de plotse toets die de kunstenaar voortdrijven naar allerlei suggestieve vormen in het detail en naar een niet te voorspellen evenwicht van het geheel. Er vormen zich composities, letterlijk ‘samen-plaatsingen’, waardoor telkens een geheel eigen eenheid ontstaat. Dat heeft denk ik veel te maken met wat wij in ons dagelijks spreken de ‘zin’ van iets noemen : die betreft namelijk het thuis zijn van iets singuliers binnen de eenheid van een uniek geheel . Welnu, de composities van Remi Geens hebben het niet zozeer over allerlei dingen maar over een mogelijke zin van singuliere dingen, ze gaan over iets ideëels, over verscholen betekenis. En ik vraag mij af of dat ook niet geldt voor zijn uitgesproken figuratief werk. Hoe komen mij daarnaast Erna Morels foto’s over? Ook een drietal vaststellingen. Bij Erna Morel vind je vooreerst twee soorten openheid op een vaak direct herkenbare werkelijkheid: een foto kan een heel verhaal vertellen (denk aan die foto uit het begijnhof van daareven, of de foto van het wegfietsende meisje dat hier hangt), terwijl het in andere foto’s helemaal gaat om tijdloze lijnen, contrasten en structuren binnen het ene beeld (gefotografeerde koffiefilterzakjes bij voorbeeld). In die tweede soort openheid op de wereld (waarin een grote abstrahering gebeurt) gaat het echter niet om een aangrijpende dramatiek of om iets ideëels, zoals we die vaak bij Remi Geens aantreffen. De aanspraak van Erna Morels tijdloze lijn- en lichtstructuren zijn vooral van esthetische aard. Wat ten tweede ook opvalt: in de foto’s van Erna Morel zie je vaak dingen die elkaar bedekken (Remi Geens, zo zei ik al, zet ze naast elkaar). Je ziet bij haar wasem op glas, figuren achter glas, poten van een zitbank onder sneeuw - en meer algemeen: niet zozeer een sneeuwlandschap maar takken met sneeuw bedekt of een dikke naakte boom vóór het sneeuwlandschap -, blaadjes papier die elkaar ten dele afdekken (de al genoemde filterzakjes, geplooide bladen van een telefoonboek, gevouwen krantenartikels), een negatief dat twee maal belicht werd telkens met een ander object, een schilderij met daarachter het landschap dat erop geschilderd staat en er voor een stuk door bedekt wordt. Dit afdekken en daardoor juist nieuwe zichtbaarheid creëren zoekt Erna Morel nog het vaakst in schaduwen die frappant over de gefotografeerde personen of objecten vallen. Schaduwen worden een andere wijze van zichtbaar zijn, het wordt er een waarin de werkelijkheid haar vele lagen toont en drager wordt van meerdere waarheden tegelijkertijd. En mijn derde vaststelling tenslotte ligt in dezelfde lijn: in Erna Morels foto’s vind je soms een soort sfumato waar ze blijkbaar van houdt (‘kenners’ zullen haar dan verwijten dat een deel van haar foto niet helemaal scherp is..). En wat daarmee samen gaat: ze weigert ook haar foto’s precies af te lijnen op het fotopapier; De rand van haar foto’s is geen andere dan de grens van de belichting van de film, die bij ontwikkeling een floue zwarte band geeft. Zelf een passe-partout bij de inlijsting moet die floue grens respecteren. Dat heeft consequenties. De verschillende objecten of mensen op de foto drummen niet tegen elkaar aan, ook als ze elkaar raken. Maar ze staan ook niet uitdrukkelijk naast elkaar. Ze gaan vaak voorzichtig in elkaar over, alsof ze een wederzijds respect koesteren. Zo gaat ook de foto voorzichtiger over in de werkelijkheid er buiten (de witte rand van de foto, de tafel waarop hij ligt, wij zelf die ernaar kijken). Ze willen met elkaar geen concurrentie aangaan, ze botsen niet, integendeel: ze aaien elkaar of spelen en gekscheren, of maken elkaar mooi of geheimzinnig. Wat zeggen mij - een beetje samenvattend en vooral veel fantaserend wellicht - al deze vaststellingen over Erna Morel en Remi Geens als mensen die elk op haar of zijn eigen wijze kunst presenteren? Er tonen zich voor mij twee Remi- Geens-en. De eerste is een energieke zoekende zachte worstelaar die duelleert met wat hem in zijn schilderijen overkomt naar aanleiding van hier of daar een stukje wereld of van een half-imaginaire werkelijkheid die erop te zien is. Let wel: een worstelaar, niet omdat Remi Geens mij problemen lijkt te zoeken of gebukt gaat onder onrust of pessimisme, daar weet ik niets over, ik bedoel iets anders. Het is zijn concreet bezig zijn met een bepaald werk zelf dat van hem op dat moment en ter plekke die worstelaar maakt. Het schilderij is zijn strijdperk. Als hij beweging wil schilderen, bij voorbeeld, dan verschijnt op zijn aquarelpapier een kluwen van gedaanten in zeer genuanceerd harmoniërende kleuren en lichten, met een subtiel kernpunt (dat dan nog niet in het midden staat). Het kluwen wordt zelf beweging, is zelf de beweging, en dat gaat helemaal niet simpel: ze wordt lijfelijk verwekt uit de vloed van avondkleren en lichamen in ergens een partytent. De beweging is schilderij geworden. Dat is de inzet en de inhoud van de worsteling van deze schilder. De tweede, andere Remi Geens lijkt conflictloos aangesproken door de precies gestructureerde aanblik van een straat of van een rivier midden bomen en weiden. Hij registreert dan van op een zekere afstand, soms in een strakke tekening, met mooi bewust afgewogen kleuren, in rust naast elkaar. Dan lijkt de worstelaar ver weg en treffen we een speurende, naar betekenis luisterende observator aan. Maar ook daar, ik zei het al, is een soort idealisering nooit afwezig. Hoe komt mij Erna Morel daarnaast over? Er zijn er geen twee, er is maar één Erna Morel. Ze worstelt niet en registreert ook niet, speurend van op afstand. Zíj wordt altijd met een blijkbaar ongevaarlijke hand zacht aangegrepen door iets. Zeker niet vanujit een onschuldige naïviteit, maar voorbij de grote en luidruchtige kwalen van het leven (zoals je die in kranten en in cv’s vindt – in de onze en ongetwijfeld ook in de hare), voorbij die kwalen dus lijkt Erna Morel bij elke foto binnen te stappen in een echtere wereld, ik bedoel onze eigen wereld wanneer die af en toe raadselachtig, poëtisch of nostalgisch durft glimlachen naar iemand die er naar kijkt, onze wereld die in vele details een beetje speelt, die danst op verschillende melodieën tegelijk en die altijd ook in dezelfde pose giechelend weg huppelt en zich gaat verstoppen in geheimzinnigheid. Als dat gebeurt is Erna Morel er bij. Zelfs een plas vuil water zingt voor haar als ze er met haar fototoestel doorheen kijkt. Erna Morel is vooral bezig met geësthetiseerde verhalen.
Om stilaan af te sluiten. Ik heb een aantal zeer persoonlijke, erg subjectieve dingen gezegd over de kunstenaars die hier tentoonstellen en over hun werken. Hoogst waarschijnlijk ziet ieder van jullie heel wat in deze foto’s en aquarellen totaal anders. Ik hoop zelfs dat het zo is. Want kunst is taal, en taal is wat de werkelijkheid toelaat te preken, taal is letterlijk het zichzelf zichtbaar en leesbaar maken van de wereld. Maar taal is – dat weten we allemaal – tegelijk ook steeds zeer subjectieve menselijke creatie. Het is onze creatie, bij iedereen en voor iedereen anders. En toch is zij steeds het spreken van de dingen zelf. Het is echter niet iedereen gegeven op deze artistieke wijze de taal der dingen te zijn. Het is een kwestie van talent en van metier, van de ambachtelijke vaardigheid waarmee de kunstenaar – en om te beginnen deze twee kunstenaars - zichzelf aan de wereld en de dingen schenken opdat deze zelf over zichzelf zouden kunnen vertellen. De kunstenaar leent bij voorbeeld een boom zijn uniek penseel of haar precieus fototoestel opdat de boom zelf op een nieuwe wijze tegen mij zou kunnen zeggen met wat een nooit volledig vatbare rijkdom hij voor mij is wat hij is, met name ‘boom’. Ik nodig u dus graag uit vooral zelf te kijken, te gaan zien hoezeer ik mij eventueel vergis. Toch eerst nog dit: Remi Geens formuleert zelf zeer beslist hoe hij tegenover zijn eigen werk staat. Hij wil – als auteur ervan - niet weten van een soort blijvende persoonlijke verbondenheid ermee. Eens een schilderij af is mag het ergens anders naartoe, het mag weg, hij wil er geen blijvende voogdij over uitoefenen, “als anderen er maar gelukkig mee zijn”, zegt hij. Het verkochte werk is voortaan helemaal van en voor de koper, overgeleverd aan diens interpretatie en gevoelens. Het zal de koper zijn die bij voorbeeld te doen zal hebben met het maskerachtige gelaat op de eerder genoemde imaginaire compositie. Erna Morel heeft een andere relatie tot haar werk, denk ik. Kort geformuleerd: een foto die uit Erna Morels handen gaat zal altijd ergens van haar blijven, niet als een bezit, maar zoals een schenker altijd aanwezig blijft in het geschenk. Ik wil niet eindigen zonder de organisatoren te feliciteren met dit project. Ik dank u.
|
Burgemeester Guido De Vos verklaarde de tentoonstelling open |